Met enige regelmaat wordt in contracten in de bouw gebruikgemaakt van een zogeheten “prijsvastbeding”.

Dit betekent dat, in het geval de aannemer wordt geconfronteerd met externe prijsstijgingen – bijvoorbeeld van grondstoffen – de aanneemsom niet mag worden verhoogd.

Of een dergelijk beding altijd standhoudt, hangt in sterke mate af van de formulering daarvan.

In de wet (artikel 7:753 BW) is vastgelegd dat, als na het sluiten van de aanneemovereenkomst kostenverhogende omstandigheden ontstaan, waarmee de aannemer bij het bepalen van de prijs geen rekening heeft behoeven te houden, de rechter op vordering van de aannemer de overeengekomen aanneemsom geheel of gedeeltelijk kan verhogen. De aannemer mag bovendien de prijs zonder tussenkomst van de rechter c.q. eenzijdig verhogen indien de kostenverhoging het gevolg is van door de opdrachtgever bij het sluiten van het contract verschafte onjuiste gegevens. De aannemer moet wel de opdrachtgever tijdig waarschuwen voor de noodzaak van een prijsverhoging, omdat het doorvoeren hiervan de opdrachtgever wel de bevoegdheid geeft om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk op te zeggen (tegen vergoeding van schade).

Ook de UAV 1989/2012 (de algemene voorwaarden die veelal op een aanneemovereenkomst van toepassing worden verklaard) kent een soortgelijke bepaling als in de wet is opgenomen. Deze kent het aanvullende criterium dat het moet gaan om een “aanzienlijke” kostenverhoging. In het algemeen wordt aangenomen (op basis van rechtsspraak van de Raad van Arbitrage voor de Bouw) dat de kostenverhoging tenminste 5% van de aanneemsom moet betreffen.

Prijsvastbeding

Van de hiervoor aangehaalde wettelijke bepaling en de bepalingen in de UAV kan in de aanneemovereenkomst worden afgeweken met een “prijsvastbeding”. Als achteraf discussie ontstaat over de bevoegdheid van de aannemer om de kostenverhoging in de prijs door te berekenen, komt het aan op de vraag of uit de formulering van het “prijsvastbeding” voldoende duidelijk blijkt dat partijen de wettelijke regeling terzijde hebben willen schuiven.

Recentelijk deed zich in de rechtspraak een dergelijk geval voor. In het contract tussen aannemer en opdrachtgever (in dit geval aannemer en onderaannemer) was het volgende “prijsvastbeding” opgenomen:

“Wijzigingen in prijs, lonen, kosten sociale lasten, belastingen en andere kostenverhogende factoren, waaronder begrepen risico’s, zijn niet verrekenbaar, tenzij dit in de opdracht uitdrukkelijk anders is bepaald en bovendien slechts dan in geval zowel de verhogingen wettelijk zijn toegestaan als ook door opdrachtgever op gelijke wijze kunnen worden doorberekend”

In dit geval stelde de opdrachtgever zich op het standpunt dat er sprake was van een hard prijsvastbeding zodat de kostenverhogende factoren, die op zichzelf niet ter discussie stonden, niet in de prijs konden worden doorberekend en dus de wettelijke regeling terzijde was geschoven. Dit werd door de aannemer betwist.

Wie krijgt gelijk?

De Raad van Arbitrage voor de Bouw gaf de opdrachtgever gelijk. Er was, zo werd geoordeeld, sprake van een “meer dan gebruikelijk prijsvastbeding” en daarmee was de wettelijke regeling uitdrukkelijk terzijde geschoven. Wat onder een “gebruikelijk prijsvastbeding” zou moeten worden verstaan leert de betreffende uitspraak niet. De aannemer stelde hoger beroep in. Door de aannemer werd in hoger beroep aangevoerd dat hier sprake was van een algemeen gebruikelijk prijsvastbeding, dat de werking van de wettelijke bepaling niet uitsluit. Anders geformuleerd: de aannemer stelde zich op het standpunt dat de prijs in beginsel wel vast was, maar dat in geval van onvoorziene kostenverhogende factoren deze wel zouden mogen worden doorberekend.

Ook in hoger beroep kreeg de opdrachtgever gelijk. De zogeheten appelarbiters meenden dat in de hiervoor aangehaalde bepaling een uitdrukkelijk terzijde schuiven van de wettelijke bepaling te lezen was. Daarover valt echter nog wel het nodige te zeggen. In een vergelijkbare zaak werd anders geoordeeld en werd overwogen dat een clausule, zoals in deze zaak ook aan de orde was (althans één die er sterk op leek), nog niet een uitsluiting van de wettelijke bepaling of de in de UAV opgenomen bepaling met zich meebrengt.

Tip voor opdrachtgever en aannemer

De praktische tip voor de partij die aan een aannemer opdracht geeft, luidt dan ook dat in het prijsvastbeding zelf de volgende zinsnede nadrukkelijk wordt opgenomen: “met uitsluiting van het bepaalde in artikel 7:753 BW” en/of “met uitsluiting van het bepaalde in paragraaf 47 UAV”.

Voor de aannemer, die zich het recht wil voorbehouden op het doorberekenen van onvoorziene kostenverhogende factoren luidt de tip uiteraard omgekeerd en zou, indien de opdrachtgever een prijsvastbeding wenst overeen te komen, kunnen luiden: “De overeengekomen prijs is vast voor zover uit de wet of de UAV niet anders voortvloeit”, althans woorden van soortgelijke strekking.

Publicatiedatum: 15 januari 2018

Vragen over dit artikel of dit onderwerp?