Zoals gebruikelijk treden op 1 januari 2019 in diverse wetten wijzigingen in.

Voor ondernemers is mogelijk de belangrijkste wetswijziging het lage btw-tarief, dat gaat van 6 naar 9%. Die wijziging raakt onder andere arbeidsintensieve diensten (kappers) en voedings- en geneesmiddelen. De wijziging vraagt extra aandacht voor de administratie, de beprijzing van goederen en diensten en de facturatie en btw-aangifte. Bij in 2018 vooruit betaalde diensten voor 2019 blijft nog het 6%-tarief gelden.

Voor ondernemers die gebruik maken van een eigen bedrijfspand wordt de mogelijkheid tot afschrijving beperkt tot bedrijfsgebouwen die op de balans staan voor een bedrag hoger dan de WOZ-waarde. Op gebouwen waarop per 1 januari 2019 nog geen drie jaar is afgeschreven, mag volgens de oude regels tot maximaal drie jaar worden afgeschreven.

Het tarief van de vennootschapsbelasting zal in drie jaarlijkse stappen dalen. In 2019 bedraagt de eerste schijf 19% en de tweede 25%. In 2020 respectievelijk 16,5 en 22,55% en uiteindelijk in 2021 15% respectievelijk 20,5%.

De voorwaartse verliesverrekeningsperiode in box 2 (aanmerkelijk belanghouders) wordt van negen jaar naar zes jaar verkort.

Werkgevers dienen rekening te houden met geboorteverlof voor de partner van één week. Pleegzorg- en adoptieverlof wordt verlengd van vier naar zes weken voor beide ouders. Tijdens het verlof heeft de werknemer recht op het (maximum) dagloon.

De Wet waardeoverdracht klein pensioen zorgt er per 1 januari 2019 voor dat kleine versnipperde pensioentjes (minder dan € 474,- bruto per jaar) kunnen worden samengevoegd tot één beter pensioen.

Ten slotte kunnen grensoverschrijdende handelsgeschillen vanaf 1 januari 2019 worden behandeld in de Engelse taal door het Netherlands Commercial Court (NCC), een afdeling van de Rechtbank Amsterdam. Hoger beroep is mogelijk bij het Gerechtshof Amsterdam. Hierbij moet het gaan om geschillen in de internationale handel. De procestaal is Engels, wat betekent dat de processtukken ook in het Engels moeten worden opgesteld en de uitspraak in het Engels zal worden gedaan. De gang naar het NCC is alleen mogelijk indien partijen dit bij overeenkomst zijn overeengekomen. Dat kan bij de oorspronkelijke handelsovereenkomst, maar kan ook bij nadere overeenkomst.

Ook in Lunteren en omgeving zijn bedrijven die veel internationale handel doen en ook voor hen is dit een mogelijkheid om in Nederland een geschil met een leverancier of afnemer te kunnen beslechten. Er moet wel rekening worden gehouden met (aanzienlijk) hogere kosten die de Rechtbank voor de behandeling berekent (de zogenaamde griffierechten). De rechtspraak rekent € 15.000,- griffierecht per partij (in kort geding € 7.500,-) en voor een hoger beroep € 20.000,- per partij (in kort geding € 10.000,-). Gelet op deze kosten is de rechtsgang dus alleen verantwoord indien bij het geschil grote financiële belangen zijn betrokken.

Voor de ‘gewone’ rechtspraak is het wachten op ontwikkelingen met betrekking tot de digitalisering. De uitrol van het project KEI buiten de arrondissementen Midden-Nederland en Gelderland werd in 2018 stopgezet. De vraag is wanneer de ongelijke situatie van twee naast elkaar bestaande processystemen binnen één klein land wordt beëindigd en de rechtspraak weer aansluiting vindt bij de digitale ontwikkelingen in de samenleving.

Gepubliceerd op 5 januari 2019 in de Lunterse Krant